Klinische & onderwijskundige woordenlijst
De termen die professionals gebruiken in vergaderingen en rapporten, eindelijk helder uitgelegd. Zodat jij weet waar ze het over hebben.
De woorden die je hoort tijdens neuropsychologisch onderzoek en schoolvergaderingen, en die niemand de moeite neemt om uit te leggen. Tot nu.
Asynchroon ontwikkelen
Het ongelijkmatig groeien van cognitieve, emotionele en fysieke vaardigheden. Heel gewoon bij hoogbegaafde kinderen. In de praktijk: je kind denkt als een 14-jarige maar reageert emotioneel als een 6-jarige. Dat is geen tegenstrijdigheid, dat is hoe het brein van je kind groeit.
Dubbel bijzonder (2e)
Wanneer een kind zowel cognitief hoogbegaafd is als een leerstoornis of ontwikkelingsverschil heeft: ADHD, autisme, dyslexie, ernstige executieve disfunctie. De hoge intelligentie verbergt vaak de beperking, en andersom. Daardoor wordt geen van beide herkend, totdat het echt misgaat.
Maskeren
De uitputtende inspanning die neurodivergente kinderen leveren om hun natuurlijke reacties te onderdrukken en "normaal" gedrag na te bootsen. Ze houden het vol op school. Thuis valt alles uiteen. Ouders herkennen dit als de "na-school-ineenstorting", het moment waarop het masker afvalt en alle opgekropte spanning eruit komt.
Executieve disfunctie
Een zwakte in het zelfmanagementsysteem van het brein. Het raakt werkgeheugen, flexibel denken en zelfcontrole. Een kind met executieve disfunctie begrijpt misschien complexe calculus maar kan oprecht niet beginnen met het organiseren van de rugzak of het starten aan huiswerk. Dat is geen onwil. Dat is een brein dat op dat vlak anders werkt.
Overprikkelbaarheid (Dabrowski)
De versterkte intensiteit waarmee hoogbegaafde kinderen de wereld ervaren. Vijf vormen: psychomotorisch (eindeloze energie), sensorisch (overgevoeligheid voor prikkels), intellectueel (niet te stoppen nieuwsgierigheid), imaginatief (levendige verbeelding) en emotioneel (diepe, intense gevoelens). Geen stoornis, een kenmerk.
OPP (OntwikkelingsPersPectief)
Het Nederlandse document dat beschrijft welke ondersteuning een leerling nodig heeft. Als het goed is opgesteld, is het juridisch bindend: de school is verplicht te leveren wat erin staat. Cognistase helpt bij het opstellen van sterke, klinisch onderbouwde OPP-concepten.
IEP (Individualized Education Program)
Het Amerikaanse equivalent van het OPP. Vereist door de IDEA-wet voor leerlingen met geidentificeerde beperkingen. In sommige staten ook beschikbaar voor hoogbegaafde leerlingen.
Sensorische verwerkingsstoornis
Wanneer het brein moeite heeft met het verwerken van zintuiglijke informatie: aanraking, geluid, licht, beweging. Een kriebelig labeltje, TL-verlichting of het gezoem van een klaslokaal kan het volledige zenuwstelsel ontregelen. Niet hetzelfde als "overgevoelig zijn", het is een neurologisch verwerkingsverschil.
Verwerkingssnelheidstekort
Een kloof tussen denkvermogen en de snelheid waarmee het brein informatie verwerkt. Het kind begrijpt de lesstof perfect maar heeft aanzienlijk meer tijd nodig om antwoorden te formuleren, toetsen te maken of instructies te verwerken. Wordt vaak verward met "te langzaam werken."